Filter Results
38391 results
Door De Steekproef bv is een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd op een deel van het Blekerspark (deelgebied D) te Leiden, gemeente Leiden, provincie Zuid-Holland (zie Figuur 1). In het plangebied zal het bestaande park worden heringericht. Voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning is van de initiatiefnemer gevraagd om in deelgebied D een inventariserend archeologisch onderzoek door middel van een karterend booronderzoek uit te laten voeren ter plaatse van de bouwplannen. Binnen dit deelgebied zal de bodem tot een diepte van maximaal één meter worden geroerd. Volgens het inrichtingsplan zal de bodem hier verstoord worden over een oppervlakte van ca. 300-400 m2. Mogelijk aanwezige archeologische waarden kunnen door deze werkzaamheden verloren gaan. Het veldonderzoek had als doel om vast te stellen of in deelgebied D archeologische waarden aanwezig zijn en of deze worden bedreigd. In het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel is uitgegaan van een (hooguit) middelhoge verwachting voor resten uit de prehistorie op eventueel in de ondergrond aanwezige kreek- en geulruggen. Daarnaast geldt een hoge verwachting voor resten uit de nieuwe tijd. Om het gespecificeerde archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in deelgebied D zes gutsboringen geplaatst. De resultaten van het booronderzoek laten zien dat de ondergrond van het plangebied uit zwak venige klei bestaat. Deze klei lijkt te zijn afgezet in een oeverzone of in een meer met rietvegetatie. In elk geval gaat het om een milieu dat niet geschikt was voor bewoning. De verwachting voor resten van bewoning uit de prehistorie kan dan ook worden bijgesteld tot een lage verwachting. De venige klei is ter plaatse van het noordelijke en centrale deel van het plangebied afgedekt door een pakket intentioneel opgebracht klei en/of zand van één tot anderhalve meter dikte. Hier bovenop ligt nog een enkele decimeters dikke teellaag. Langs de zuidrand van het plangebied lijken resten van de keermuur te zijn aangetroffen die de binnenkant van de oorspronkelijke stadswal vormde. Deze bestaan uit rood-oranje baksteen en zijn plaatselijk al vanaf enkele decimeters beneden het maaiveld aanwezig. Selectie-advies door senior KNA-prospector/KNA-archeoloog drs. R.P. Exaltus Door de aanwezigheid van een één tot anderhalf meter dik pakket opgebracht zand en/of klei op het centrale en noordelijke deel van het plangebied zullen graafwerkzaamheden die hier tot maximaal één meter diepte worden verricht, niet tot aantasting van archeologische sporen leiden. Langs de zuidrand van het plangebied kunnen echter vanaf enkele decimeters diepte resten van de keermuur van de oorspronkelijke stadswal worden aangetroffen. Doordat dit deel van het plangebied aanmerkelijk lager ligt dan het centrale en noordelijke deel hoeven deze niet boven 0 meter NAP (25-30 centimeter beneden maaiveld) verwacht te worden. Voor graafwerkzaamheden in deze zone die dieper zullen reiken, wordt echter geadviseerd om deze archeologisch te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerd archeologisch bedrijf. Hiervoor is een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Leiden. De bevoegde overheid, de gemeente Leiden (dhr. T. Piepers, per e-mail) heeft op 17 juli 2019 het rapport getoetst en volgt het advies op.
Data Types:
  • Dataset
In verband met de geplande bouw / uitbreiding van stallen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd aan de Klapsterweg 94 te Woldendorp, gemeente Delfzijl, provincie Groningen. Onder de stallen zijn mestkelders gepland waarvoor gegraven zal worden tot circa 2,5 meter diepte. Hierdoor zullen eventueel aanwezige archeologische waarden verloren gaan. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (protocol 4002) en een veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O; protocol 4003). Bij het bureauonderzoek zijn bronnen geraadpleegd op het gebied van fysische geografie, archeologie en historische geografie. Tijdens het veldonderzoek zijn acht boringen geplaatst om de opbouw en gaafheid van de bodem te bepalen en om te zoeken naar archeologische materialen. Woldendorp ligt in het Groningse zeekleigebied. Het plangebied aan de Klapsterweg 94 ligt zuidwestelijk van een wierde waarop resten van het kloostervoorwerk Lesterhuis uit de late middeleeuwen gevonden zijn. In het oosten van de noordelijke locatie heeft een schuur gestaan. De zuidelijke locatie is afgegraven tijdens de jaren '20 / '30. Op de noordelijke locatie is de bodem het best bewaard gebleven. Er zijn geen wierdelagen of indicatoren zoals scherven aardewerk, stukken bot, of spikkels gebakken klei en houtskool gevonden. De bodem op de zuidelijke locatie is sterk verstoord door de kleiafgraving. selectie-advies door senior KNA-prospector drs. J.M.G. Bongers Aangezien het onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische resten op de noordelijke locatie en aangezien eventuele archeologische resten op de zuidelijke locatie verloren zullen zijn gegaan, adviseren wij om geen nader archeologisch onderzoek te ondernemen en beide planlocaties vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel wijzen wij erop dat voor al het graafwerk geldt dat als archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dat daarvan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Delfzijl. Het rapport is op 3 juli 2019 namens de gemeente Delfzijl (mevr. E. van Joolen) beoordeeld door Libau (mevr. N. van der Mei) en de gemeente volgt het selectie-advies van De Steekproef op.
Data Types:
  • Dataset
Deze veteraan groeide op in Rotterdam, waar hij in de Tweede Wereldoorlog het bombardement meemaakte. Zijn grootvader werkte bij het Korps Mariniers en dat trok hem na de bevrijding ook wel. Hij nam deel aan de tweede politionele actie in Indië, waar hij eigenlijk niet achter stond. Het materieel en de organisatie was erg amateuristisch, vond hij. Ze probeerden de lokale bevolking te ontzien in hun geweld. Bij thuiskomst in de haven werden ze uitgemaakt voor moordenaars, wat hem schokte. Hij ging in Leiden studeren, waar hij de Hap van Jan tegenkwam. Terugkijkend heeft de inzet bij de mariniers hem gevormd in zijn jonge jaren, hij is dankbaar voor die ervaring.
Data Types:
  • Dataset
In verband met de geplande bouw van acht woningen ter plaatse van de voormalige Laurentiuskerk aan de Fidelishof 30 te IJmuiden is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. In het plangebied van circa 900 m 2 wordt het kerkgebouw gesloopt, waarbij echter de kelder blijft bestaan. De funderingsdiepten van de nieuwe woningen is nog niet exact bekend, maar deze reikt minder diep dan de bestaande funderingen van de kerk. De bodemingrepen betekenen mogelijk een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Volgens de Beleidsnota Archeologie en de bijgevoegde archeologische beleidskaart van de Gemeente Velsen uit 2017 ligt het plangebied in een gebied met waarde categorie 3: bij bodemverstorende activiteiten in plangebieden > 100 m² en dieper dan 40 cm - Mv dient een waardestellend archeologisch rapport te worden overgelegd. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Aan de hand van beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld van het gebied. Het plangebied ligt in een duinlandschap dat ontstond omstreeks de midden-bronstijd (1500 vC). Achter de duinen stroomde het Oer-IJ en lag een veengebied. De hogere plekken in de duinen waren gunstige vestigingsplekken voor de mens. Menselijke bewoning en activiteit in de directe nabijheid van het plangebied is door eerder archeologisch onderzoek aangetoond. In de nabije omgeving zijn sporen aangetroffen en vondsten gedaan daterend uit de Romeinse tijd op een diepte van circa 4 meter +NAP. Op een hoger niveau zijn ook archeologische resten aangetroffen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. In het plangebied heeft, tot de bouw van de Laurentiuskerk in de jaren tachtig, weinig historische bebouwing gestaan. Enkel een klein gebouw in de noordwest hoek van het plangebied rond 1969. De bodem is alleen sterk verstoord ter plaatse van de kelder (zie Figuur 2) en in kleine mate op de plekken waar de heipalen voor de fundering zijn geplaatst en mogelijk waar het gebouw in de jaren zestig heeft gestaan. Selectie-advies door senior KNA-archeoloog/prospector dr. J. Jelsma Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied er een hoge kans is voor resten uit de bronstijd tot nieuwe tijd. De bodemverstoring is beperkt tot het noordelijk deel van het plangebied waar de kelder van de kerk ligt en mogelijk de noordwesthoek waar in de jaren zestig een klein gebouw stond. Archeologische resten kunnen vanaf onder het maaiveld worden verwacht. Geadviseerd wordt om een inventariserend booronderzoek te doen binnen de kaders van de nieuw te bouwen woningen met uitzondering van het deel dat overlapt met de bestaande kelder (zie Figuur 2). Het inventariserende onderzoek dient de gaafheid van de bodem vast te stellen en uitsluitsel te geven over de aanwezigheid en diepte van mogelijke archeologische resten en niveaus. Dit betreft een advies. Het definitieve besluit hierover ligt bij de bevoegde overheid, de gemeente Velsen.
Data Types:
  • Dataset
In verband met de geplande aanleg van nieuwe natuurvriendelijke sloten is een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (IVO-O) uitgevoerd voor een terrein rond het Achterste Diep tussen Buinerveen en Buinen, gemeente Borger-Odoorn, provincie Drenthe. De hiervoor benodigde graafwerkzaamheden vormen een mogelijke bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Tijdens het neolithicum veranderde het plangebied van een dekzandlandschap in een veenmoeras. Voor het gebied geldt een middelhoge tot hoge verwachting voor bewoningsresten uit het mesolithicum en het neolithicum op hogere delen van het dekzandlandschap en een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor resten van aan beekdalen gebonden vondstcomplexen zoals veenwegen, bronsdepots en veenlijken. Dergelijke resten worden met name in veen verwacht en kunnen goed geconserveerd zijn. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied 121verkennende boringen geplaatst met telkens 25 meter tussen de boringen. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodem overwegend uit een dertig tot veertig centimeter dikke bouwvoor van zandig veen of venig zand bestaat met daaronder een enkele decimeters dik pakket matig veraard veen dat tussen 5,6 en 6,8 meter boven NAP overgaat in ongeoxideerd dekzand. Dit veen is soms volledig vergraven of verploegd. Op het noordoostelijke deel van het plangebied en op een klein stuk van het noordwestelijke deel is onder het matig veraarde veen nog een pakket onveraard veen aanwezig. In deze zones is de top van het dekzand eveneens ongeoxideerd en ligt deze tussen 6,5 en 6,7 meter boven NAP. In de op Figuur 4 geel gemarkeerde zones zijn aanwijzingen aangetroffen dat de bodem hier voorafgaande aan de veenvorming goed was ontwaterd en geschikt was voor bewoning. Met name op het noordoostelijke deel van het plangebied zijn zones aanwezig waarin het veen dik genoeg is om goed geconserveerde archeologische resten te kunnen bevatten. In deze zones loopt het veen plaatselijk door tot meer dan anderhalve meter beneden het maaiveld. Selectieadvies (KNA 4.1 VS07) door drs. R. Exaltus (senior KNA-archeoloog/KNA-prospector) Het onderzoek heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd. De kans hierop is tijdens een verkennend booronderzoek echter ook klein. In de zones die op de boorpuntenkaart (Figuur 4) geel zijn gekleurd, ligt een dekzandkop waarop droge omstandigheden hebben geheerst die mogelijk gepaard zijn gegaan met menselijke bewoning tijdens de steentijd. Dit terrein valt nagenoeg samen met de ligging van de archis-zaaknummers 3002534100 en 3002550100 die de vondst betreffen van bewerkt vuursteen uit de steentijd. Voor deze zones geldt derhalve een hoge verwachting voor zandkoppen in beekdalen en wordt geadviseerd om de voorgenomen graafwerkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. Eenzelfde begeleiding wordt aanbevolen voor de zones waarin het veen nog dik genoeg is (Figuur 4, bruin) om specifiek aan beekdalen gebonden archeologische resten zoals depotvondsten, veenwegen veenlijken en resten van voorden e.d. te bevatten. Voor de overige zones wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikelen 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Borger-Odoorn. De gemeente Borger-Odoorn, mevr. M. Montforts heeft op 28 augustus 2019 aangegeven het selectie-advies over te nemen.
Data Types:
  • Dataset
In april 2017 heeft Antea Group in opdracht van de gemeente Zaanstad een opgraving, variant archeologische begeleiding uitgevoerd ter plaatse van een werklocatie voor het aan te leggen fietspad Noorderweg-Dorpsstraat. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw grotendeels intact is en bestaat uit een voor de Assendelver Polders kenmerkende vertrapte humeuze kleilaag afgedekt door een dunne bouwvoor/zode. In de kleilaag is een verzameling losse vondsten zonder duidelijke samenhang opgeraapt. Er zijn uit de klei of het veen geen organische artefacten aangetroffen. De conservering van vondsten zou gezien de landschappelijke context in geval van een vindplaats zoals een huisplaats of veenterp veel hoger moeten zijn. Ook zijn er geen archeologische sporen of structuren aangetroffen, die een huisplaats, veenterp of andere vorm van bewoning zouden moeten kenmerken. Een aangetroffen sloot blijkt van recente ouderdom te zijn. Het meeste vondstmateriaal dateert uit de nieuwe tijd B en C en kan vanuit de bewoningskern Assendelft met mest en huisafval op de achtererven terechtgekomen zijn. De oudere vondsten zijn afkomstig door opspit of (niet archeologisch zichtbare) off site-activiteiten in het gebied.
Data Types:
  • Dataset
In april 2017 is in plangebied Hereweg 97, de zogenaamde Pino-locatie, in Groningen, gemeente Groningen een opgraving (conform SIKB-BRL 4000, protocol 4004) uitgevoerd. De aanleiding voor het onderzoek is de nieuwbouw van een hoog appartementencomplex op het circa 600 m2 grote terrein. Het plangebied bevindt zich op de Hondsrug, tegenover het Sterrenbos, ter hoogte van de voormalige Helperlinie. In de omgeving van het plangebied zijn al delen van de Helperlinie opgegraven. Voorafgaand aan het recentelijk gesloopte Pino-gebouw heeft er in het plangebied al bebouwing gestaan. Er zijn tijdens de opgraving 37 sporen gedocumenteerd. De sporen zijn in te delen in verschillende fasen van gebruik van het terrein: het Pino-gebouw en een latere uitbreiding, een eerder gebouw ten zuiden ervan, een kleine beerput later dan een gracht maar eerder dan de uitbreiding, kuilen en paalgaten ten westen en ook onder het Pino-gebouw die mogelijk met de Helperlinie of met de ontmanteling ervan te maken hebben, een kleine gracht en een verkleuring. Het vondstmateriaal dateert met name uit de zeventiende tot en met de twintigste eeuw. Het enige materiaal dat vroeger dateert is een mogelijke kogelpotscherf uit de late middeleeuwen. Selectie advies drs. C. Tulp (senior KNA-archeoloog, actor registratie nummer 28146404) Er is een oppervlakte van 600 m2 archeologisch opgegraven en dus vrij van archeologie. Alleen rondom de boom is een deel niet opgegraven ter grootte van de boomkruin. Het plangebied kan vrijgegeven worden. Verder wordt geadviseerd om bij toekomstige graafwerkzaamheden in de nabijheid van het plangebied voorafgaand archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Er worden meer archeologische resten verwacht die een aanvulling kunnen leveren op de bestaande kennis van de Helperlinie en derhalve de kennis van het verleden van de gemeente Groningen kunnen vergroten. De gemeente Groningen heeft het rapport goedgekeurd (vertegenwoordigd door dr. F.A. Veenman, email: froukje.veenman@groningen.nl).
Data Types:
  • Dataset
Door De Steekproef bv is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Veenweg 1a te Finsterwolde, gemeente Oldambt, provincie Groningen. Voor de fundering van een nieuwe loods (40 bij 47 meter) wordt om de 15 meter een betonnen opstorting van circa 35 bij 35 centimeter aangebracht op ingegraven betonplaten. De afmetingen van deze betonplaten zijn variabel en de exacte diepte hiervan is nog onbekend. Het ingraven van de betonplaten vormt mogelijk een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische resten in het plangebied. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (protocol 4002) en een veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O; protocol 4003). Bij het bureauonderzoek zijn bronnen geraadpleegd op het gebied van fysische geografie, archeologie en historische geografie. Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen geplaatst om de opbouw en gaafheid van de bodem te bepalen. Plangebied Veenweg 1a ligt op de overgang van de glaciale rug van Finsterwolde naar lager gelegen gronden ten zuiden en oosten daarvan. Omstreeks het einde van de steentijd veranderde het gebied van een dekzandlandschap in een veenmoeras. Op de bodemkaart ligt het op de overgang van veldpodzolgronden naar moerige eerdgronden. De dichtstbij gemelde archeologische vondsten zijn gedaan op honderd meter ten oosten van het plangebied waar twee vuursteenafslagen en een vuurstenen kling uit de steentijd zijn gevonden. Tot het plangebied in gebruik genomen werd door de palletfabriek was het in gebruik als landbouwgrond. In het zuidelijke deel van het plangebied is de bodem diep verstoord. In het noordelijke deel is de bodem óf te nat geweest voor noemenswaardige bodemvorming óf de bodem is er ook sterk verstoord. Het onderzoek heeft geen archeologische vondsten opgeleverd. Op delen waar de bodem sterk verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische grondsporen verloren zijn gegaan. Op delen waar het zand onvoldoende lang droog geweest is voor noemenswaardige bodemvorming, zal het geen geschikte vestigingsplek zijn geweest voor mensen tijdens de steentijd. selectie-advies door senior KNA-prospector drs. J.M.G. Bongers Aangezien er in het plangebied geen archeologische grondsporen worden verwacht en geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen of vondsten gedaan, adviseren wij om geen nader archeologisch onderzoek te ondernemen en het terrein op archeologische gronden vrij te geven voor de geplande bouw van de loods. Wel wijzen wij erop dat als bij bodemingrepen onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan die van voor de boerderij dateren, dat daarvan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Oldambt.
Data Types:
  • Dataset
Op 19 en 20 november 2018 is door De Steekproef bv een archeologische begeleiding uitgevoerd in plangebied Groningen, De Deimten 5 (Figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van een tijdelijk onderwijsgebouw voor de Hanzehogeschool (zie Appendix II). Door de graafwerkzaamheden kunnen eventueel in de bodem aanwezige archeologische grondsporen en materialen worden beschadigd. De graafwerkzaamheden binnen het plangebied is uitgevoerd onder archeologische begeleiding conform BRL SIKB 4000, protocol 4004 variant AB. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek dat is verricht bij het opstellen van het PvE (Rap, 2018) is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld (zie Hoofdstuk 2.5). Hieruit blijkt dat in het plangebied sporen te verwachten zijn vanaf de midden ijzertijd. Deze sporen kunnen resten zijn van reguliere bewoning, akkerbouw en ontginning. Uit eerder onderzoek (zie Hoofdstuk 2.3) is gebleken dat archeologische sporen in dit gebied goed bewaard zijn gebleven. Ook is gebleken dat de aanwezigheid van archeologische sporen uit de ijzertijd en de (vroege) middeleeuwen onlosmakelijk zijn verbonden met de aanwezigheid van brandlaagjes die in het veld gekenmerkt worden door twee vegetatieniveaus of brandhorizonten. De aanwezigheid van dergelijke horizonten is een indicatie voor de intactheid van de bodem. Tijdens de archeologische begeleiding is de bodem geïnspecteerd op archeologische sporen en materialen. Het diepste niveau is aangelegd in de verstoorde toplaag (S999), waarbij de natuurlijke laag waarin de archeologische sporen zich kunnen aftekenen en het vlakniveau dat is aangehouden bij het proefsleuvenonderzoek door RAAP bv (Huis in 't Veld, 2018) niet zijn bereikt. De archeologische begeleiding heeft geen sporen van archeologische waarde opgeleverd. Evenmin zijn er relevante archeologische vondsten gedaan. Selectieadvies door senior KNA-archeoloog drs. C.R.C. Schamp (registratienr. Actorregister: 46647395): De archeologische begeleiding heeft geen archeologische vindplaats opgeleverd. Bij de archeologische begeleiding zijn geen archeologische sporen aangetroffen en geen relevante archeologische indicatoren. Het diepste niveau is aangelegd in de verstoorde toplaag (S999), waarbij de natuurlijke laag waarin de archeologische sporen zich kunnen aftekenen, alsmede het vlakniveau dat is aangehouden bij het proefsleuvenonderzoek door RAAP bv (Huis in 't Veld, 2018) niet zijn bereikt. Aan de hand van profiel 1 kon worden vastgesteld dat in het plangebied twee vegetatiehorizonten aanwezig zijn: S1003 en S1005 (zie Figuur 9). De twee vegetatiehorizonten dateren uit de vroege middeleeuwen en de midden ijzertijd en bevinden zich respectievelijk op een diepte van -0,52 m NAP en -0,80 m NAP. Aangezien de resultaten van het onderzoek geen aanwijzingen hebben opgeleverd voor een archeologische vindplaats binnen het plangebied en de ingrepen niet dieper gaan dan de reeds uitgevoerde ontgraving voor de fundering, adviseren wij om geen nader archeologisch onderzoek te ondernemen. Indien in de toekomst in het plangebied graafwerkzaamheden zijn gepland die dieper reiken dan de diepte die bij deze ingrepen (van 19 en 20 november 2018) gehaald zijn (– 0,45 m NAP), dient opnieuw archeologisch veldonderzoek plaats te vinden. De kans op de aanwezigheid op archeologische waarden in het plangebied blijft namelijk onveranderd. De middelhoge verwachtingswaarde op de archeologische beleidskaart van de gemeente Groningen (Veenman 2011) en de Dubbelbestemming Archeologie - Waarde 2 uit het bestemmingsplan Zernike Campus Groningen zijn hierbij nog steeds van toepassing op het plangebied. Ook wijzen wij erop dat als bij het graafwerk ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dat daarvan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015, artikel: 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Groningen (dhr. G.L.G.A. Kortekaas). De gemeente Groningen heeft op 20 december 2018 per email (dhr. G.L.G.A. Kortekaas) laten weten het selectieadvies in dit rapport op te volgen.
Data Types:
  • Dataset
BAAC bv heeft in 2018 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied de Oude Strijper Aa in de gemeente Cranendonck en Heeze-Leende. Begin 2019 is een kleine aanvulling uitgevoerd nadat het advies rapport in 2018 is goedgekeurd door de bevoegde overheid. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om de genormaliseerde en gekanaliseerde beek te herstellen, natuurvriendelijke oevers aan te leggen, een enkel ven te herstellen en de bodem in het kader van natuurherstel te verschralen. Hierbij zal de bodem tot enkele decimeters worden afgegraven, waarbij een gerede kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd worden.
Data Types:
  • Dataset